Voorziening groot onderhoud (Vpb)
Woningcorporaties kunnen fiscaal een voorziening vormen voor toekomstige onderhoudsuitgaven, mits zij voldoen aan een aantal voorwaarden. Door het vormen van een voorziening voor onderhoudsuitgaven, worden de kosten niet afgetrokken op het moment van de uitgaven, maar (al) in de jaren waarin sprake is van slijtage.
Over de voorwaarden waaronder een onderhoudsvoorziening kan worden gevormd, bestaat enige tijd discussie met de Belastingdienst. Nadat eerder de Rechtbank Zeeland-West-Brabant oordeelde in het voordeel van de corporatie, heeft ook het Hof ’s-Hertogenbosch onlangs bevestigd dat de gekozen benadering van de corporatie juist is. De Belastingdienst is in cassatie gegaan bij de Hoge Raad, waardoor de definitieve uitspraak nog volgt.
Achtergrond: voorwaarden uit het ‘baksteenarrest’
Op basis van het zogenoemde ‘baksteenarrest’ mogen belastingplichtigen voor toekomstige onderhoudsuitgaven een onderhoudsvoorziening vormen wanneer wordt voldaan aan drie voorwaarden:
- Oorsprongeis: de toekomstige uitgaven vinden hun oorsprong in feiten en omstandigheden die zich in de periode voorafgaand aan de balansdatum hebben voorgedaan.
- Redelijke mate van zekerheid: het staat met een redelijke mate van zekerheid vast dat de uitgaven zich (in de toekomst) daadwerkelijk zullen voordoen.
- Toerekeningseis: de uitgaven moeten kunnen worden toegerekend aan de periode voorafgaand aan de balansdatum.
Doordat aangesloten wordt bij het moment van slijtage, worden kosten fiscaal eerder genomen en wordt de kostenaftrek naar voren gehaald. Hierdoor wordt belastingheffing uitgesteld. Dit levert een rentevoordeel op. Zolang de voorziening langdurig gevormd wordt, levert dit een (semi-)permanent voordeel op.
Discussie met de Belastingdienst: het ‘piek-vereiste’
Het belangrijkste discussiepunt is het door de Belastingdienst gehanteerde ‘piek-vereiste’. Volgens de Belastingdienst mogen woningcorporaties alleen een onderhoudsvoorziening vormen als sprake is van substantiële afwijkingen (de zogenaamde ‘piek’) ten opzichte van het normale uitgavenniveau van de onderhoudsuitgaven in andere jaren op ondernemingsniveau.
Zowel de Rechtbank als het Hof hebben geoordeeld dat dit piek-vereiste geen wettelijke eis is. De Belastingdienst heeft aangegeven tegen de uitspraak van het Hof in cassatie te gaan bij de Hoge Raad. Het is dan aan de Hoge Raad om definitief duidelijkheid te geven.
Wat betekent dit voor de corporaties?
Corporaties met een VSO
In de afgelopen jaren heeft de Belastingdienst met een aantal corporaties een Vaststellingsovereenkomst (VSO) afgesloten over de hoogte van de te vormen onderhoudsvoorziening. Daarin wordt doorgaans gewerkt met het gemiddelde van een berekening zonder piek-vereiste en een berekening met piek-vereiste.
Zodra de hoogste rechter uitspraak doet, wordt de onderhoudsvoorziening met inachtneming van die uitspraak opgenomen op de eindbalans in het jaar van de uitspraak. Voor corporaties met een VSO is het dus nog afwachten.
Corporaties zonder VSO
Voor corporaties die géén VSO hebben afgesloten, is het raadzaam om zelf al stappen te zetten:
- Bepaal welk voordeel het vormen van een onderhoudsvoorziening biedt.
- Toets de betrouwbaarheid van de MJOB. Dit is relevant voor de voorwaarde ‘redelijke mate van zekerheid’ uit het Baksteenarrest).
- Bereken in welk jaar het meest optimaal is om de voorziening te vormen.
- Bepaal de fiscale strategie. Beoordeel op welke wijze de onderhoudsvoorziening wordt verwerkt in de aangifte (bijvoorbeeld door het alsnog sluiten van een VSO of door bezwaar te maken tegen de aanslag).
Wij ondersteunen jullie uiteraard graag bij het uitwerken van de hierboven genoemde stappen.